|
Het is nu ruim een eeuw geleden, in 1870, dat Theodoor Smeets en zijn vrouw Josephine Beunen, eigenaars van de Engetra, nu Dragretra, ertoe beslisten van te Elen in "Het Zand" een prachtige windmolen te bouwen. Het was de bedoeling aan een van hun zoons een degelijke kostwinning te verschaffen, aangezien er op hun eigen bedrijf niet voldoende werk was en de zoon in kwestie geneigd scheen om zijn teveel aan vrije tijd aan de drankfles te spenderen.
De ligging bleek erg geschikt; het vlakke veld, hoog gelegen. Temeer omdat op de grond die hun toebehoorde, er zich reeds een pannenfabriek bevond, waar gemakkelijk de stenen voor de bouw van de molen konden worden gebakken. Er mag aangenomen worden, dat volgens de toen geldende maatstaven, er geld nog moeite gespaard werden om het werk te voltooien.
Toch schijnt het dat de degelijkheid van de bouwen de perfecte inrichting alleen, niet volstonden om de zaak draaiende te houden; zoonlief Smeets "ging het niet voor de wind". Weldra greep hij terug naar zijn oude liefhebberij en de ouders verhuurden de zaak aan een Duitser met name Wieërs.
Was het nu dat de landbouwers van Elen en omgeving afgeschrikt werden door het moderne uitzicht, de werkwijze of een mogelijk gebrek aan vakkennis van de nieuwe uitbater, maar na korte tijd liet ook hij alles maar draaien en vertrok met de ochtendzon.
De Breeënaar Geroom Coenen ontfermde zich daarna nog gedurende enkele jaren over het goed en toen die de pijp aan Maarten gaf, waren we in 1929. Dat was ook het jaar dat Mathieu van Bussel, stammende uit een welbekende Molenaarsfamilie uit Nederweert, te Elen aankwam ... en toen draaide de wind. Hij noemde zijn molen "De Hoop" omdat hij al z'n hoop had gezet op het welslagen van deze onderneming.
Maar het werd liefde. Liefde, toewijding en volledige inzet voor het beroep dat in die tijd, en met recht, als een der belangrijkste van de gemeenschap werd aanzien.
Samen met zijn vrouw Marie Caris, zijn zes zoons en drie dochters, werden de handen uit de mouwen gestoken en aldus de grondslag gelegd, voor wat weldra tot een zeer bloeiend bedrijf uitgroeide.
Hij is nu 84 en gelukkig nog in blakende gezondheid. Van hem kregen we heel wat kostbare inlichtingen. Vanzelfsprekend zijn wij niet bevoegd, om al zijn vakkundige benamingen te begrijpen en nog minder om ze aan U door te geven.
Reeds bij het begin bleek de noodzaak om heel wat technische verbeteringen aan te brengen. Zo werden de oude houten wieken door nieuwe vervangen uit staal. Ze waren op speciale manier gestroomlijnd, om een goede windsnijding te hebben; ze waren
28 meter
lang en lm 50 breed. Gewicht:
3000 kg
.
De draaibare kap werd volgens een Engelse methode gemonteerd op een enorme kogellager, die zo groot was als de kap zelf. Heel het draaiende binnenwerk, volledig in hout, moest vervangen worden.
De wieken zijn bevestigd aan een as die
4000 kg
weegt. Ze loopt vooraan in een baamsteen of "Babbits", een soort wit metaal en achter in een arduinen- of harssteen. De wrijfpunten werden met spekzwoers en pezeriken gesmeerd.
Van deze as uit, vertrekt er een andere verticaal naar beneden; de "asbalk" is van eikenhout vervaardigd en drijft op zijn beurt verschillende grote kamwielen aan, waaraan beukenhout, palmenhout en voor de tanden, azijnhout gebruikt is, onverslijtbaar en ingevoerd uit Spitsbergen. De houten kamwielen doen uiteindelijk, en dit op verschillende verdiepingen, 3 paar molenstenen draaien. Wanneer de wieken eenmaal rond gaan, draaien de stenen 8 maal en dit laatste gebeurt ongeveer 150 maal per minuut. Zodoende kan per koppel stenen tot
500 kg
koren, gerst of haver gemalen worden. Tarwe, die met speciale stenen gemalen moet, tot
200 kg
per uur.
Toch kreeg men met 3 stenen het werk niet altijd gedaan en in 1930 reeds voorzag men in de aankoop van een reusachtige "koude dieselmotor" van 30 PK. Geleverd door de firma Thomassen uit Holland. Prijs toen: 100 000 fr., wat neerkwam op de waarde van 2 à 3 huizen. Deze dreef nog 2 paar molenstenen aan en was in de onderbouw geïnstalleerd; de immense achthoekige bergplaats met muren van
1,50 meter
dik en waarin tot
100 000 kg
granen kon worden opgeslagen.
Buiten, van op het
6 meter
hoge platform, of wat men de molenberg zou kunnen noemen, wordt het kruiwerk bediend. Dit kruiwerk bestaat uit: de staart, samengesteld uit vier logge balken, spruit genaamd, die horizontaal tegen de kap bevestigd zijn, aan welker uiteinde weer vier andere balken: de schoren, die beneden samen komen en waar met behulp van de "lier", de wieken in de gewenste windrichting worden gebracht. Het gewicht dat hiermee verplaatst moet worden bestaat uit: de as van
4000 kg
, de wieken van
3000 kg
, de kap en het kruiwerk, samen
12000 kg
, waarna we toch even "oef' moeten zeggen. En dan ging de wind, gratis en voor niets, deze hele vernuftige combinatie in werking brengen en een kracht ontwikkelen, die meer dan het dubbele is van bijvoorbeeld de 30 PK dieselmotor.
Maar wij schrijven nu 1974. De molen draait niet meer, hij is "gedeklasseerd". De stoere windreus, van ver nog steeds te zien, siert alleen nog het landschap. Zonder een minimum aan onderhoud, zal hij vroeg of laat ook in verval geraken. Dat is misschien geen drama, ofschoon dat, volgens de woorden van oudmolenaar Mathieu van Bussel, het de mooiste en degelijkste molenbouw is van uren in de omtrek.
Wat mij in deze tijd van schrijnende energie-armoede doet mijmeren: "Konden we hem maar invriezen". Het komt misschien nog eens ooit zover dat we hem weer nodig krijgen.
Danny Libens
April 1974
Bekijk hier het origineel verhaal (995 kB)
|